Kunst tussen de prostituees

(Volkskrant 23 januari 2009)

UTRECHT - In navolging van Amsterdam, is de gemeente Utrecht begonnen met een kunstproject in de rosse Hardebollenstraat. De kunstenaars zien hun werk veranderen in de omgeving, de prostituees zien hun klanten verdwijnen.

De Hardebollenstraat in Utrecht

De Hardebollenstraat doet op donderdagavond verlaten aan. Verveeld kijken een tiental prostituees vanuit hun peeskamers naar de motregen buiten. De rode lampjes branden op volle kracht, evenals de gele verlichting die sinds begin deze week de aandacht vestigt op kunstprojecten, ondergebracht in drie door de gemeente opgekochte panden. Doel: de prostitutie aan banden leggen en de overlast terugdringen.

 

Minder klanten
De prostituees zijn er niet blij mee: klanten blijven weg, bang voor de media-aandacht en schuw voor de mensen die eerder de Hardebollenstraat meden en nu juist een blokje omlopen voor de opgedoken kunst. Als een klant, diep weggedoken in zijn capuchon, doorkrijgt dat zich een journaliste in de straat bevindt, maakt hij zich snel uit de voeten.

‘De vrouwen en klanten willen niet bekeken worden door mensen die voor kunst komen’, klaagt Metje Blaak, woordvoerster van de Rode Raad, de belangenvereniging voor prostituees. ‘Begrijp me goed, ik heb geen hekel aan diversiteit in een wijk. Prima als er een bakker of slager om de hoek zit. Maar kunst en haute couture is zo gedwongen. Op deze manier worden de vrouwen zelf een kunstobject, terwijl ze daar toch gewoon zitten om hun brood te verdienen.’

 

Rosse kunst
De drie opgekochte panden in de Hardebollenstraat zijn komende negen maanden toegewezen aan Sophies Kunstprojecten, een Utrechts kunstenaarsinitiatief. Aanvankelijk was het de bedoeling dat kunstenaars de peeskamers als werkplek zouden benutten, maar daarvoor waren de ruimtes te klein en te vochtig. Gekozen is nu voor een steeds wisselende expositie – om de zes weken nieuwe kunst. Anders dan in Amsterdam, waar de gemeente peeskamers op de Wallen opkocht om haute couture onder te brengen, past de kunst in de Hardebollenstraat zich direct aan de omgeving aan.

In een advertentie roept Sophies Kunstprojecten kunstenaars op werken te maken die zich lenen voor de rosse straat. Vooralsnog zijn drie kunstwerken geplaatst die niet speciaal voor de omgeving gemaakt zijn, maar toch geschikt worden geacht. Zo heb je de installatie GoodBad van beeldend kunstenares Elaine Vis. Een vrouw in een doorschijnend jurkje geeft waardeoordelen over meubels. Centraal staat de vraag wat goed of slecht is.

‘Eerder is de installatie in een rechtbank vertoond’, vertelt Vis. ‘Daar deed het meisje aan Vrouwe Justitia denken. Ze had iets heel sereens, nu krijgt ze opeens iets geils.’ Vis beaamt dat de prostituees niet erg enthousiast reageren op het project. ‘Ze denken bij kunst al snel aan Rembrandt, iets moois en ingewikkelds. Het is moeilijk communiceren, ze spreken nauwelijks Nederlands. Wat dat betreft zijn ze aan hun lot overgeleverd. Ze hebben ook niet mee kunnen beslissen over dit project. Nee, ik denk niet dat prostitueebezoekers zich nu opeens gaan interesseren voor kunst. Het lijkt me eerder dat kunstliefhebbers nu ongegeneerd een keer naar prostituees kunnen kijken.’

 

Niksen
Iets verderop – de straat is klein – staat de installatie van Helma van Nuenen. Zo stil als de vrouwen voor de ramen zitten, zo beweeglijk is het beeld. Een hand draait in een constante beweging om een pluk haar. Een andere hand beweegt zich langzaam in water en speelt met de luchtbelletjes die vrijkomen. Het werk draagt de titel Niksen.

Van Nuenen had in eerste instantie geen concreet idee over de relatie tussen de installatie en de prostituees, totdat ze het peeskamertje betrok en zicht kreeg op het werk van de vrouwen. ‘Die zitten daar maar de hele dag. Ik wist niet dat ze zich zo zouden vervelen. Opeens was er een overeenkomst met mijn werk.’ Eerder was het werk van Nuenen te zien in een atoomschuilkelder in Dolfsen en later nog in een weeshuis. ‘Toen had het iets heel eenzaams.’

Ook de derde kunstenares, Ramona van Silfhout, zag de context van haar werk veranderen in de nieuwe omgeving. Als enige vertoont ze een stilstaand beeld. Een half ontblote vrouw trekt aan de lange zwarte haren van een merkwaardig beest, een soort combinatie tussen een zwijn en een wolf. ‘Normaalgesproken staat mijn werk in een sprookjesachtige setting. Het oerinstinct en de tegenstelling tussen beschaving en dierlijkheid wordt dan benadrukt. Nu krijgt het seksuele aspect een veel grotere lading. Dan vraag je je opeens af of de vrouw symbool staat voor de prostituees in de straat. Zij is immers degene die aan de ‘kleren’ van het beest trekt. M’n werk wordt in deze omgeving een rollenspel.’

 

Uitrooksysteem
Of kunst een middel is om criminaliteit te bestrijden? Van Silfhout denkt van wel. ‘Je krijgt langzaam een ander publiek. Dit is een eerste stap.’ Van Nuenen is sceptischer. Volgens haar valt het met de overlast allemaal wel mee. ‘Het straatje wordt 24 uur bewaakt. Als er al iets is, wordt er snel ingegrepen. Het project dient denk ik meer om de buurt wat levendiger te maken. Overlast lok je wel uit als je de opgekochte kamertjes dicht gaat timmeren.’

Metje Blaak van de Rode Draad ziet de criminaliteit eerder toenemen. ‘Minder ramen betekent minder klanten. De meisjes krijgen ook steeds minder interesse om op zulke plekken te werken. Ze voelen zich bekeken en zwerven uit naar plekken waar ze niet in veilige handen zijn. De gemeente wil criminaliteit bestrijden, maar uiteindelijk roeien ze alles uit. Ze zeggen: prostitutie trekt criminelen aan, maar dat geldt net zogoed voor een diamantair in dezelfde straat. Verschil is dat een peeskamer moet sluiten en de diamantair open mag blijven.’
Volkskrant 23 januari 2009

 

 

Interview door studenten van het Grafisch Lyceum Utrecht

 

 

 

Korte biografie door studenten van het Grafisch Lyceum Utrecht